Odit

De weg naar de hoofdstad daalde door de uitlopers van de Sierra richting de vlakte. Vanaf de pas hadden ze hem al zien liggen, een lange rechte streep door bruin grasland richting een nevelige horizon. Al urenlang waren ze nauwelijks ander verkeer tegengekomen. De huurauto had geen airco en ondanks het stof reden ze met open ramen. Het meisje groef in de plastic tas tussen haar benen en smeerde haar armen en gezicht daarna nog een keer in met zonne­brand. Aan de voet van de heuvels maakte de weg een bocht over de rivierbedding. Terwijl hij de auto over de smalle stenen brug stuurde, keek het meisje aandachtig door het autoraam naar buiten.
‘Zag je dat paard?’ zei ze toen ze de brug over waren.
‘Nee’, zei hij.
‘Onder de brug stond een paard, ik weet het zeker.’
‘Ik zag niets.’
‘Volgens mij was het echt een mooi beest’, zei het meisje. ‘Zielig hé, dat het daar zo allen langs de weg staat?’
‘Het stond vast in de schaduw’, zei hij, gas gevend.
Het meisje keek nog een keer om naar de brug die al bijna uit het zicht was verdwenen. ‘Het had mooie volle manen en een prachtige kleur. Hoe kun je hem daar nou alleen laten staan?’
Toen het stil bleef zei ze: ‘ik zou wel weer paard willen rijden, net als vroeger.’
De weg daalde in een lange rechte lijn de bruine vlakte op.
‘Ik heb paard gereden. Heel fanatiek. Met mijn zusje. We gingen elk weekend naar de manege en we mochten zelf voor onze pony's zorgen.’
Ze sprak het woord “pony” uit met een langgerekte ‘o’. Zoals vroeger de boerenkinderen in zijn klas.
‘En ik heb ook actief wedstrijden gereden. Springen.’
‘Springen?’, hij keek even van opzij naar haar gezicht.
‘Ja’, zei het meisje, ‘met m’n zus’.
‘Springen.’ Hij zei het nog een keer, alsof hij net een nieuw woord had geleerd.
‘Heel vroeger. Toen ik tien was en m'n zus acht of zo. Maar wel heel fanatiek.’
De eentonigheid van het land werd in de verte soms onderbroken door een boom, een donker silhouet tegen een bruingele achtergrond.
‘En wat voor soort paard was dit dan?’, vroeg hij.
‘Dat weet ik niet’, zei het meisje, ‘maar dat zou ik voor je kunnen nakijken’.
Hij pakte met zijn rechterhand een rolletje drop dat aan haar kant van het dashboard tegen de voorruit lag. Met zijn tanden haalde hij er een dropje uit.
‘Het is best moeilijk hoor’, zei het meisje. ‘Je hebt heel veel soorten paarden en verschillende rassen en zo. Jij zou dat vast allemaal beter hebben kunnen onthouden. Ik vond het rijden het leukste. Ik was best goed.’
‘Reden jullie op dit soort paarden?’
‘Nee’, zei het meisje. ‘Wij reden op een ander ras. Op vol­bloedjes.’
‘Wat voor soort dan?
‘Dat zei ik net. Op volbloedjes.’
‘Volbloedjes is geen ras’, zei hij.
‘Nou, wij reden anders wel op volbloedjes. Ik weet het zeker. Ik heb jaren op volbloedjes gereden, dat is een ras paarden.’
Ze keken allebei een tijdje naar de weg die zich kaarsrecht en leeg voor de auto uitstrekte.
‘Volbloed betekent dat het een raszuiver dier is. Niet wat voor soort paard het is’, zei hij.
‘Niet.’
‘Dat is toch logisch’, hij merkte dat hij harder was gaan rijden. ‘Volbloed alleen zou ook op een varken of op een reptiel kunnen slaan. Of een mens.’
‘Dat zou misschien wel kunnen, maar het is gewoon niet zo.’
‘Volgens mij weet je gewoon niet waarop je hebt gereden.’
Ze keek een tijdje uit haar raam. ‘Dat is niet waar’, zei ze.  


(foto: Fancycrave @ Unsplash)

Terug naar het overzicht